Ik zou mijn diepste zielenroerselen wel willen vertalen in mijn werk maar mij is gebleken dat alleen schilderen niet toereikend is en ik dan ook graag naar pen en papier grijp. Van tijd tot tijd zal ik daarom, in de vorm van lyriek, via mijn web-site delen wat mij bezig houdt, of waar ik mee bezig ben. Als de tijd er rijp voor is zal ik hier passages uit mijn boek waar ik mee bezig ben delen.

ZIELENROERSELEN

  • GabrielleDumas

Mijn herinneringen aan Sophie

Bijgewerkt: 6 okt 2018


Nu de Nationale Holocaust Herdenking in Amsterdam, zoals altijd op de laatste zondag in januari, is afgesloten, bleef ik met mijn gedachten bij Sophie.

Vorig jaar waren mijn gedachten aan haar ineens zo sterk dat ik mijn herinneringen aan haar, heb toevertrouwd aan het papier. Zowel Sophie als haar ouders en grootouders hebben in mijn leven een rol gespeeld. Mijn eigen grootouders heb ik helaas nooit gekend, mijn grootvader Dumas kreeg een beroerte op de dag dat de Japanners Nederlands-Indië binnen vielen en stierf kort daarop aan de gevolgen daarvan. Mijn grootmoeder schrok zich letterlijk en figuurlijk een beroerte van het plotseling verlies van haar man.

Grootmoeder Dumas heb ik daardoor alleen liggend in haar bed en af en toe vastgesjord in een rolstoel gezien, zij was 13 jaar aan beide zijden verlamd.

Mijn grootvader Meertens werd op 1 november 1926 weduwnaar, hij stierf na bijna 20 jaar weduwnaar te zijn geweest, verwaarloosd en uitgehongerd op 18 juni 1945 in het kamp Ambarawa, vlak voor de capitulatie van de Japanners op 15 augustus 1945. Het feit dat de grootouders van Sophie (alleen van vaders kant) bij Sophie in huis woonden vond ik ronduit  het summum.

Nu was voor mij de tijd aangebroken om mijn eerste persoonlijke ervaring met de Holocaust als kind, te delen, vandaar "Mijn herinneringen aan Sophie"...

MIJN HERINNERINGEN AAN SOPHIE

Sophie, eens mijn vriendin,

Ik heb zo'n zin.

Een kopje thee met je te drinken, Of zomaar eens een glaasje klinken.

Kort zat ik naast je in de klas, En ik vond dat jij de leukste was.

Sophie Altmann, was haar volledige naam, En zij was in alles al snel bekwaam.

Ik bewonderde haar, Met haar kortgeknipte zwarte haar.

Een roodroze dirndl  met bleu en een blouse in wit, Ze droeg het met flair, en ze had ook pit.

Aan dat bloesje zat een randje van kant, En om haar pols, droeg zij een bedelarmband.

Op een dag kwam ze op school met een gouden ring, Nee, niet om haar vinger maar één die aan een touwtje hing.

Aan die ring kon je vragen stellen, En.. dan kon Sophie je het antwoord vertellen.

Dat was bijster interessant, En van tijd tijd neem ik nu zelf ook zo'n ring ter hand.

Ze was een vlot en kittig ding, Ze droeg om haar hals en gouden ketting.

Daaraan  hing een gouden ster, Met zes stralen dat zag je van ver.

Een vijfster tekenen daar vond ik niets moeilijks aan, Maar een zesster tekenen, kreeg ik niet gedaan.

De opa van Sophie had hier een foefje voor, En zo zette hij mij op het goede spoor.

Hij pakte potlood en papier, En zei, "kom jij maar even hier".

Toen zei hij,  "Lierom, Larom, Lepelsteel, Wie dit niet kan, die kan niet veel".

Ik deed hem na, en met succes, Maakte ook ik een ster van zes.

Sophie vertelde mij dat, Zij met Nieuwjaar appel met honing at.

Het was meen ik in september, Sorry but I don't exactly remember.

Ze was bijzonder, gedecideerd, Ik vond niets aan haar verkeerd.

Véél heb ik van haar geleerd, En... ze zou me zo hebben bekeert.

Af en toe, zo nu en dan, Speelde ik bij Sophie Altmann.

Ze werd heel bijzonder opgevoed, Op jonge leeftijd kon ze allerlei dingen al heel goed.

Het interesseerde me in hoge mate, Hoe ze daar aan tafel zaten.

En dan waren er ook dagen, Dat ze mij liever niet zagen.

Helaas dorst ik nooit te vragen, Wat er gebeurde op die dagen.

Pas heel veel later heb ik gedacht, De sjabbat, van vrijdagavond tot het begin van de volgende nacht.

Die dagen zijn alleen voor het gezin, En op die dagen paste ik daar dan niet in.

Toch heeft het mij altijd geïntrigeerd, En ik had er graag veel over geleerd.

Ze hadden een prachtige kandelaar, Met zeven kaarsen, het is echt waar.

Ze hadden borden van melkglas, Dat zag ik een keer toen ik daar was.

Die borden waren er in lichtblauw en ook in wit, (Ik meen ook in roze) Met bijpassende kop, die door een ring in het bord stabiel zit.

Ik mocht helpen met tafel dekken, Op een schitterend wit damasten kleed zonder vlekken.

Werden de borden op tafel gezet, En even...had ik niet opgelet.

Ineens hoorde ik krak, Ik was het, die één van die borden brak.

Ik vond het heel erg wat ik had gedaan, En ik was toen totaal ontdaan.

Zo ook de moeder van Sophie, Dat het zó erg kon zijn begreep ik  toen nog nie(t).

Had ik een herinnering kapot gemaakt? De hele affaire heeft mij toen diep geraakt.

Het is mij in elk geval voor altijd bijgebleven, Zou Sophie's moeder het mij ooit hebben vergeven?

Het was in mijn ogen een mooi gezin, Haar opa en oma woonde bij hen in.

Ze woonde daar dus met z'n zessen, Dekte de tafel met kristallen glazen en zilveren messen.

Eens op een dag, ik weet het nog goed, Zag ik een foto van twee kindertjes, zó zoet.

Wat waren ze mooi, wat waren ze prachtig, Mijn adem stokte, God allemachtig.

Net engeltjes zo kwam het bij me binnen, Wist even niet wat te beginnen.

Kunnen kinderen zo zuiver zijn, Zo mooi en puur en zonder venijn.

Wat hadden ze een mooie manier van zijn, Hoe kon dat wezen, ze waren immers nog zo klein.

Hun gelaat leek doorschijnend porselein, sereen, heel mooi en fijn, En toch leek het dat het evengoed ook oude mannen hadden kunnen zijn.

Wat waren deze jongens bijzonder, Ik begreep het niet, het leek een wonder.

Voordat ik goed en wel besefte wat ik deed, Vroeg ik Sofie, "weet jij hoe dat kleine jongetje heet?"

Hij had een blik, die ik nooit heb kunnen vergeten, En wilde dolgraag weten hoe hij heette.

En dat andere ventje wie is dat? Ik wilde weten hoe het zat.

Sophie haalde haar moeder, het werd heel stil, "Wat is het wat je weten wil?"

"Wie zijn die jongens die op de schoorsteenmantel staan?" Het bleef muisstil en... ineens zag ik haar tranen gaan.

Haar adem stokte nagenoeg, Wát gebeurde haar, toen ik dít vroeg.

Help, wat heb ik toch gedaan, Het liefst was ik snel naar huis gegaan.

Sophie's moeder, tante Greet, Kreeg het ogenschijnlijk heet.

Het bleef lang stil en plots zei ze snel, "Zij... waren mijn kinderen Gabriel(le)".

Hemel wat schrok ik van haar verhaal, Ja, ze vertelde het allemaal.

Door dat verhaal was ik zo ontsteld, Dat ik niet meer weet of ze mij ooit hun namen heeft verteld.

Ik stond aan de grond genageld, haast levenloos, Wat was ik onthutst, machteloos en boos.

Ik wist bij God niet wat ik moest doen, In gedachten gaf ik haar kindertjes een zoen.

Ook omhelsde ik ze alle twee, Ze lieten het toe, en ik voelde hun wee.

Van haar verhaal was ik het liefst gaan gillen, En ik voelde mijn lijfje schokken en trillen.

In de oorlog moet je weten, Hadden zij in een vliegtuig gezeten.

Met een list werden, deze  kinderen, gelokt, En helaas werd er tegen hun ouders gejokt.

Deze twee broertjes gingen mee met een piloot, En even later.... waren ze dood.

Want de kindertjes van dit prachtige paar, Werden uit het vliegtuig geduwd, kort na elkaar.

Je zou toch niet meer willen leven, Gelukkig hadden hun ouders Fred nog en later Sophie gekregen.

Wat een kracht had deze vrouw, Met zulk een leed en diepe rouw.

Waar haalde ze die kracht vandaan, Om opnieuw te beginnen en verder te gaan.

Direct na onze lagere school tijd, Was ik Sophie helemaal kwijt.

Jaren gingen er voorbij, En ineens, stond ze naast mij.

Het moet denk ik in het jaar 1972 zijn geweest. Toen ik haar tegenkwam, in Hilversum, op een Peerdenpieten feest.

Door mijn outfit met greige hoed, Heb ik Sophie en haar moeder weer ontmoet.

Haar moeder had mij daar gespot, Was dit toeval, of was dit het lot.

Tante Greet die wilde toen ter tijd graag weten, Wie die vrouw in couture kleding was en hoe ze heette.

Ze verlieten daarvoor hun allerbeste plek, En leunde even later met mij over het hek.

Ze waren verrast dat ik het was met die hoed, Tante Greet liet me weten, "wat staat die hoed je ontzettend goed".

Vanaf de tribune had tante Greet mij zien staan, Iemand die zich zo kleedt, was haar niet ontgaan.

Wat was ik blij ze te ontmoeten, Helaas moest ik ze meteen voor altijd groeten.

Sophie zou gaan trouwen met Max, een geneeskundig heer, Daarna ging de familie naar Israël, zo zag ik hen voor de laatste keer.

Toch komt dit gezin vaak in mijn gedachten, Zou ik Sophie ooit nog zien, ik kan niet wachten.


Gabrielle Dumas

Na enig speurwerk heb ik Sophie gevonden via internet en inmiddels heb ik haar na 45 jaar weer ontmoet. FEEST. De reden dat ik haar wilde vinden was niet alleen om haar toestemming te vragen voor de publicatie van dit schrijven maar ook omdat het mij werkelijk interesseerde hoe haar leven was verlopen tot nu toe. Sophie gaf mij haar toestemming voor publicatie en zij vertelde mij het échte verhaal van haar twee broertjes. Ook gaf ze mij toestemming om mijn versie, zoals ik mij die herinner uit het verhaal van haar moeder te laten staan, zoals ik het had opgeschreven maar dan wel met een footnote om te laten weten hoe het werkelijk is gegaan. Sophie vermoedt dat haar moeder het op dat moment niet kón vertellen omdat het haar teveel was. Ik vermoed dat ze op deze manier met de tekst "uit het vliegtuig geduwd", aangegeven had dat haar kinderen iets vreselijks was overkomen en het niet hadden overleeft. Stond het vliegtuig voor, "ze zijn in de hemel"? Geen idee maar mijns inziens dekt hetgeen tante Greet mij toen ter tijd vertelde wel volledig de lading van deze tragedie. In werkelijkheid werden Raphael en Franklin door hun bezorgde ouders naar Huize Zonneschijn in Zeist gebracht, omdat het in de buurt, waar ze woonden, steeds grimmiger werd. Opmerkingen door mensen en of kinderen uit de buurt, zoals, "ik weet jullie wel te vinden hoor, ik weet wel waar jullie wonen", heeft dit ouderpaar doen besluiten om hun kindertjes in veiligheid te brengen en Raphael en Franklin naar Huize Zonneschijn gebracht, waar meerdere kinderen onder schuilnamen zaten ondergedoken. In 1942 werd er een derde zoon Fred geboren, Fred die toen nog maar vijf maanden oud was bleef bij zijn ouders. Door de lokatie van Huize Zonneschijn kon tante Greet haar kinderen af en toe bezoeken vanuit háár onderduikadres. Op 24 februari 1944 deed de Amsterdamse politie een inval in Huize Zonneschijn waarbij er aanvankelijk drie kinderen werden meegenomen. Raphael had zich onder de tafel weten te verstoppen maar op het moment dat hij besefte dat zijn kleine broertje werd meegenomen verraadde hij zichzelf. Hij liet zijn broertje niet in de steek, kwam te voorschijn en werd alsnog meegenomen. De tocht ging via het politiebureau Zeist naar de Plantage Middellaan in Amsterdam naar Westerbork, om uiteindelijk op transport te gaan naar Auschwitz waar ze direct na aankomst op 23 maart 1944 werden vermoord. De grootouders van vaders kant, de ouders van deze twee broertjes en Fred overleefden de oorlog. Op 11oktober 1949 werd dit gezin verblijd met een dochter, Sophie.

Blijft bij mij toch telkens de vraag, ook al was ik nog zo klein, hoe het kan zijn, dat toen ik de foto zag, het evengoed ook oude mannen hadden kunnen zijn.


31 keer bekeken

©Gabrielle Dumas