Ik zou mijn diepste zielenroerselen wel willen vertalen in mijn werk maar mij is gebleken dat alleen schilderen niet toereikend is en ik dan ook graag naar pen en papier grijp. Van tijd tot tijd zal ik daarom, in de vorm van lyriek, via mijn web-site delen wat mij bezig houdt, of waar ik mee bezig ben. Als de tijd er rijp voor is zal ik hier passages uit mijn boek waar ik mee bezig ben delen.

ZIELENROERSELEN

  • GabrielleDumas

JULIANA MIJN KONINGIN

Bijgewerkt: 8 okt 2018


Mijn fascinatie voor ons koningshuis is waarschijnlijk aangewakkerd door mijn ouders.

Als wij langs Paleis Soestdijk reden, wij woonden er niet al te ver vandaan, dan zei mijn vader altijd, "het is gek maar ik zie jou daar op de thee gaan".

In mijn kinderlijke fantasie kwam ik daar werkelijk en niet alleen voor een kopje thee.

Ik denk dat mijn belangstelling voor architectuur daar is geboren, een gebouw zo lang en respectievelijk smal, daar had ik zo mijn ideeën over. Het zou zeker een kunst zijn om alleen al het eten warm op tafel te krijgen, tenzij er een tussenkeuken voor eigen gebruik zou zijn dacht ik. Ik wilde weten hoe het in een gebouw als dat allemaal functioneerde. Mijn liefde voor interieurarchitectuur is daar ook ontstaan, in gedachten had ik had Paleis Soestdijk al vele malen ingericht.

Het was dan ook een spannend moment toen mijn moeder in 1983 een uitnodiging kreeg om samen met haar dochters naar Paleis Soestdijk te komen.

De reden daarvoor verbaasde mij wel enigszins, ofschoon ik het zeker begreep. Mijn vader werd geëerd, weliswaar postuum, met het Verzetsherdenkingskruis.

Prins Bernhard zelf overhandigde mijn moeder het kruis.

Dat was mijn eerste echte ontmoeting met Paleis Soestdijk.

En geloof het of niet, ik heb daar, op die middag in november van 1983, thee gedronken. Mijn moeder, zus en ik zaten naast de stuc-zaal aan een klein rond, met malachiet ingelegd, tafeltje thee te drinken.

Nee, het was niet zoals ik het ingericht zou hebben, ik zou bij de prachtige donkergroene kleur van het malachiet zeker niet voor rode stoeltjes hebben gekozen maar meer voor koningsblauw met een goud en groen accent, passend bij het, ook met malachiet ingelegde, klokstel op de schoorsteenmantel.

Natuurlijk was er veel meer dan thee maar ik hield het die middag bij thee, met schrik niet, verrukkelijke zoute koekjes. Mijn voorkeur gaat meer naar zout dan naar zoet.

Het was een feest, met name voor mijn moeder en wat ben ik blij dat zij dit nog heeft mogen meemaken, aangezien zij op 26 april 1984 door een medische fout plotseling is overleden.

Zeven jaar later kreeg ik een uitnodiging om de 80ste verjaardag van prins Bernhard te vieren. "Hoezo?" dacht ik. Was mijn vader helderziend geweest of wist hij dat zijn verdiensten in de oorlog onder de Jappen bepaalde privileges met zich meebrachten?

Natuurlijk gaf ik gehoor aan deze uitnodiging en ik heb er, op die zonovergoten dag van genoten op een incident na, zoals hieronder te lezen is in 'Juliana mijn koningin'.

Jaren later brachten telgen van de Oranjes een tegenbezoek aan mij, dat wil zeggen mijn kinderen zaten bij de kinderen van prinses Irene op school en zo gebeurde het dat twee van haar kinderen bij mij kwamen eten.

Ik koos voor rijsttafel. Wellicht omdat mijn grootmoeder Dumas veertien dagen lang voor koning Leopold en koningin Astrid kookte toen zij gedurende twee weken een rondreis door De Gordel van Smaragd maakten.

Nu koning Willem Alexander deze week in het Amsterdam Museum de tentoonstelling '1001 vrouwen in de 20ste eeuw' heeft geopend, waar drie generaties voor hem te zien zijn, vond ik het tijd om mijn lyriek 'Juliana mijn koningin' te plaatsen.

Deze tentoonstelling is nog te zien tot en met 10 maart 2019.

Naar aanleiding van het verschijnen van het boek 'Juliana, Vorstin in een mannenwereld',  van Jolande Withuis in 2016 schreef ik vrijwel direct mijn lyriek. Ook omdat ik zeker fan van haar was.

JULIANA MIJN KONINGIN

Juliana, wat een bijzondere koningin, Had zij die functie tegen haar zin?

Had zij liever lang gestudeerd, Of gewoon een vak geleerd.

Gewoon eens fietsen in een stad, Zonder dat iemand haar in de gaten had.

Of in een kroeg een biertje drinken, En dan met een wildvreemde klinken.

Of in een slobbertrui met spijkerbroek, Gewoon zomaar bij iemand op bezoek.

Gewoon kunnen instappen in tram of trein, Ook zonder kaartje, gewoon voor de gein.

Of op de kermis stoer staan schieten, Gewoon op een roosje of margrieten.

Of in het spookhuis heel hard gillen, Met van angst, samengeknepen billen.

Of gewoon even scharrelen in het gras, Of stiekem kussen bij een waterplas.

Dat alles was niet voor haar weggelegd, En daar is veel te weinig over gezegd.

Wij Nederlanders willen echt álles van haar weten, En dan heb ik het niet, over wat ze heeft gegeten,

We willen precies weten over haar liefde, En over de man die haar diep griefde,

Over alles wat zij moest doorstaan, Niet zozeer over haar lachen maar over die traan,

Bij de kroning van haar dochter Beatrix in Amsterdam, Was ze zó emotioneel dat ze huilde de koningin mam.

Dat is wat de pers er over had geschreven, Het bleek anders, konden wij daar wel mee leven?

Juliana was gewoon een beetje verkouden, En wilde haar zakdoek bij de hand houden.

Zijn de Nederlanders zo op sensatie belust, Dat wij willen weten, met wie en wanneer er wordt gekust.

Zijn wij pas echt spinnend tevreden, Als er iemand van de trap valt tot beneden.

Vinden wij het geweldig kikken, Als we iemand echt zien stikken.

Gebruik je graag verbaal geweld, Vind je, jezelf dán een held?

Is het genoegen van mensen dan zo groot, Bij verdriet van anderen, schandalen en ademnood?

Is het dát waar wij op teren, Als anderen in nood verkeren.

Laat een ieder toch met rust, Wees niet steeds sensatie belust.

Stel gewoon is aan de kaak, Waarom altijd leedvermaak.

Worden wij daar beter van, Voor altijd, of zo nu en dan.

Kunnen wij niet gewoon simpel weg genieten, Van mooi weer en een bos vergeet-mij-nieten.

Of van slagroom op een taart, Voor een vrouw die een kindje baart.

Of een borrel bij je buren, Gewoon gezellig vele uren.

Zo genoot ik op een feestje op Paleis Soestdijk, Ik voelde me toen echt de koning te rijk.

Het was heel gezellig, warm en volop zon, Ik liep daar in een witgeel gestreepte japon.

Er werd gezellig gepraat, gedronken en gegeten, Opeens gebeurde er iets dat ik jullie wil laten weten.

Het feest was ter ere van de verjaardag van prins Bernhard, Plots werd er aan hem getrokken, het was echt heel hard.

De beveiligers vormde direct een stevig cordon, Zo was het dat de prins toch ontsnappen kon.

Hij werd belaagd door een opdringerige pers, Voor een pijnlijk interview, het was nog heel vers.

Hij droeg gewoon een zakelijk pak, Voelde hij zich toen op zijn gemak?

De prins kreeg als vraag te horen, Kan dit pak u wel bekoren?

Hoe is dat voor U prins Bernhard, Voelt u zich hierin niet wat benard?

Hierop antwoordde de prins, "Nee,  alles behalve, geenszins".

"Het is een goed gesneden pak", "En ik voel me zeer op mijn gemak".

Ik heb nu eindelijk een echt vrije ademtocht. k zou blij geweest zijn als het eerder mocht.

De prins trok zich er niets van aan, De pers... kon onverrichter zaken gaan.

Wat maakt een journalist nu tot een journalist, Door middel van kruisverhoor en een list.

De ondervraagde zo erg onder druk te willen zetten, Dat hij 't zweet met een zakdoek van zijn hoofd moet betten.

Om vervolgens ondervraagde dingen in de mond te leggen, Die hij in zijn hele leven echt nooit had willen zeggen.

En daarna lees je verbijsterd in de krant, Is dát allemaal met mij aan de hand.

Je woorden zijn ook nog eens flink verdraait, En vurig hoop je dat het snel overwaait.

Want wat er over je is geschreven, Zou je echt nooit hebben willen beleven.

Helaas is het vuurtje al aangestoken en de vlam is in de pan, En in het koningshuis is er níemand die zich verdedigen kan.

Kent de pers dan nooit fatsoen, Waarom moesten ze dit nu doen.

Het was absoluut niet nodig, En echt volkomen overbodig.

Was hij al niet genoeg gestraft, Zijn uniform was toch al afgeschaft.

Moesten wij dan nóg eens weten, Wat in elke krant al was uitgemeten.

Moest er nog meer papier worden verknoeit, Aan iets dat bijna al was uitgeroeid.

Moet je dan mensen blijven choqueren, Voor het genot van je eigen veren.

Opdat jij in geuren en kleuren kan zeggen dat, Ík heb een interview met onze prins gehad.

Dat vind ik eigenlijk heel banaal, zet je daarmee jezelf niet voor paal.

Wat is geweest dat is geweest, We waren nota bene op een feest.

Was het zo leuk dat te verstoren, De gasten voelde zich daardoor verloren.

Schrijf eens echt een goed verhaal. Gewoon leuk, boeiend en zonder schandaal.

Dat zou een ieder ten goede komen, Van laag opgeleide tot hoge ome.

En houd je dan absoluut strikt aan de feiten, Dat is het moment waarop ik voor de pers zal pleiten.

Dan krijgen ze van mij een gouden veer, En dan kunnen ze strijken met de eer.

Met al dat kapittelen en gedoe Gaan bij mij alle deuren toe.

Ik was dan ook blij met het antwoord van ons prins-gemaal, Laat dat een wijze les zijn voor de journalisten, allemaal.

De prins gaf toen ter tijd, lik op stuk, Nu had de prins de pers eens tuk.

Intussen ging het feestje gewoon voort Dat "interview" heeft mij enorm gestoord.

Op zo'n manier in de schijnwerpers staan, Dat lijkt mij echt helemaal geen leuke baan.

Ik ging toen richting koningin, En kreeg plots weer goede zin,

Wat was ze lief deze vrouw, Mijn lieve mens, ik houd van jou.

Ze was hartelijk, vriendelijk en had een goed woord Ze weet als geen ander precies hoe of het hoort.

De gasten dromden zich om haar heen, Een kudde aan mensen en toch... alleen.

En vanuit die hele grote kudde, Leerde zij mij handen schudden.

Want heel even te voren, schudde zij een hand en dat kon je horen, Nee dit kon haar niet bekoren, het leek haar werkelijk flink te storen.

"Au", zij hield haar adem even in, Ik schrok toen van de koningin.

Dat was haar kennelijk niet ontgaan, Zij kwam naar mij toe, echt heel spontaan.

Ze pakte mijn hand en hield die vast, Op een manier, die alleen Juliana past,

Ik voelde toen een warme stroom, Het was heel bijzonder, echt ongewoon.

Heel even keek ik in haar ziel, Prachtig, alles aan haar beviel.

Wat niemand ooit had gedacht, In haar handen zat een kracht.

Ze keek me even doordringend aan, Bespeurde ik bij haar nu een traan?

Ze ging over tot de orde van de dag, En toverde  plots een magische lach.

We wisselde een blik van verstandhouding, Recht onder de ogen van de hofhouding.

Met mijn hand nog in de hare, Leerde ik een les, een hele ware.

Schud je een hand van een koningin, Steek je hand er dan diep in.

Dan kun je knijpen wat je wil, Dat verloopt dan zonder gegil.

Wanneer je een hand van een ander ontmoet, En het volgens Juliana's instructies doet.

Dan weet je heel zeker dit gaat goed. Dan laat je een indruk na met die groet.

Dan hoef je niet te vertrekken van de pijn Maar is het mooi, even met die ander te zijn.

Als kind al fantaseerde ik mooie dromen, Hoe kon ik toch het paleis binnen komen.

In mijn fantasie had ik daar heel vaak thee gedronken, En dan natuurlijk door Juliana zelf ingeschonken.

"Zeg maar ho kind, als ik moet stoppen", En ik dronk er geregeld vele koppen.

Op een dag had Juliana naar Zeist gemoeten, En op de radio hoorde mijn moeder de route.

Via de Paltzerweg en Tolhuislaan, Passeerde ze de Taveernelaan.

De Taveernelaas is waar ik woonde Ik begon te hollen en... dat loonde.

Want bij de kruising moest haar Rolls Royle stoppen, En... dan, dan zou ík op haar raampje kloppen.

In de verte kwam haar auto er al aan, En bleef even op de kruising staan.

En met mijn mooiste jurkje aan, Kwam ik achter een boom vandaan.

Daar zat ze dan mijn koningin, Ik kon alles goed bekijken, helemaal tot binnenin.

Ik stond vlak voor haar raam, En vroeg toen  heel bekwaam.

Mag ik U een handje geven, Het hoeft niet lang maar graag heel even.

Ze werd vergezeld door twee heren in mooie pakken, Mijn koningin maakte aanstalten om het raampje te laten zakken.

Eén van die heren die hield haar tegen, En zo heb ik nooit haar hand gekregen.

Het raampje stond al op een kier, "Stop, het mag niet verder dan tot hier".

Haar auto begon snel vaart te zetten, Ik holde naast haar zonder op te letten.

Ik holde er maar achteraan, En in mijn ogen ontstond een traan.

Wat was ik boos op die mannen in pakken, Ze wilde toch zelf haar raam laten zakken.

Waarom hielden ze haar dan tegen, Alleen haar hand maar, echt heel even.

Ik was maar een kind van zes of zeven, Waarom mocht dat dan niet even?

Ik wilde haar zo graag vertellen, Dat ik haar eens op wou bellen.

En dan zeggen uw dochter Irene vind ik zo prachtig, Zelfs nu nog, al is ze bijna tachtig.

Dat is toen allemaal niet gebeurd, En daarover heb ik lang getreurd.

Maar dertig jaar later in mijn leven, Heeft Juliana mij alsnog haar hand gegeven.

Voor diegenen die het bovenstaande goed hebben gelezen, Deed ze dat liefdevol en krachtig, met heel haar wezen.

Gabrielle Dumas

28 keer bekeken

©Gabrielle Dumas